Woensdag 4 Augustus

Denali National Park

Gisteren - Home - Morgen

Het wakker worden wordt steeds moeilijker. Vandaag begint iedereen een beetje te leven rond een uur of acht. Heel normale tijd toch? We douchen in de houten cabine. Ruzien wat met de handoek voor op de vloer die achter de deur bliijft steken en zijn om ongeveer half tien klaar. We moeten echter pas om elf uur in Denali zijn voor de 11 uur durende bustocht het park in naar Wonder Lake. Aangezien er in het park helemaal niets te kopen is, vullen we onze tassen met drinken en eten om deze lange tocht door te komen.

Stipt elf uur zijn we weer bij het visitor center, deze keer geen beren op de weg, waar de bus vertrekt. Vandaag nog drukker met autorijdende toeristen die de natuur willen ontdekken. Belachelijk, die parkeerplaatsen zijn voor ons! De parkeerplaats is dus helemaal vol en we moeten naar de overflow parking een mijl verderop. Met hard doorlopen zijn we net op tijd bij het vertrekpunt. We nestelen ons achterin de bus. In eerste instantie lijkt Dennis alleen te moeten zitten, maar na een paar minuten stroomt de bus helemaal vol met texaanse en andere amerikaanse toeristen, inclusief bolle buiken en dikke dijen. Dennis krijgt een krasse man op leeftijd naast zich, die op stap is met twee rondborstige zussen.

De chaffeusse van de bus introduceert zich en geeft alvast aan dat zij niet is ingehuurd om op de wilde dieren te letten, maar dat zij zich zal bezighouden met het letten op de weg. Terecht naar later blijkt, want de bus type schoolbus is van alle comfort gestript, heeft de wegligging van een russische vrachtwagen en schiet alle kanten op (inclusief passagiers) bij elke oneffenheid in het wegdek. Ach, we hoeven nog maar 10 uur en negen-en-vijftijg minuten. Het eerste stuk is relatief comfortabel, op de openbare asfaltweg. Er wordt al wat gezocht naar wild, blijkbaar een belangrijke reden voor de amerikaanse reis-gemeente, want iedereen heeft camera met superzoom en verrekijker mee om te zien wat de dierentuin een stuk makkelijk laat zien. De chaffeusse belooft ons weinig goeds voor de heenreis, door het warme tijdstip midden op de dag hebben we nu weinig kans, op de terugweg als het later is zullen we meer dieren zien, voorspelt zij.

Onder het genot van goede oude shool-reisjes sfeer waarin een aantal personen om het hardst schreeuwen om aandacht en grapjes (proberen) te maken rijden we steeds dieper het park in. De wegen worden slechter, maar af en toe stoppen we voor een plaspauze, foto-genieke lokatie of een potentieel wild beest op drie kilometer afstand. Het park zelf en haar natuur zijn overigens schitterend! Wijdse uitzichten, steile bergwanden, gekleurde rotsen, alles bij elkaar een schitterend schouwspel van de natuur. Langzaam maar zeker komen we ook dichter bij de berg waar het allemaal om gaat, de zes kilometer en twee honderd meter hoge Mt. McKinley. De berg is door de lokale Athabascab bevolking ‘Denali’ gedoopt, wat ‘the big one’ betekend. Niet is meer terecht want deze majesteuse verschijning torent boven alles uit. In het begin nog half in de wolken, later volledig zichtbaar. We hebben geluk, want volgens de kenners komt dat slechts een tiental dagen per jaar voor. Er worden volop foto’s gemaakt, ook door ons, maar de vraag is of e deze indruk kan vastleggen op de foto. Gewoon een berg, als niet ziet hoe klein de bergen van vier kilometer hoogte naast de Denali lijken. De Mt. Blanc is een dwerg en zels de Mt. Everest zal misschien minder indrukwekkend zijn omdat deze zich tussen de hoogvlaktes bevindt. Wij staan op 30 kilometer van de berg op 300 meter hoogte!

Naast de berg zien we ook veel gletsjers, andere bergen en ondanks dat het pas de heenreis is ook wat wilde dieren. Hoewel het niet veel verder komt dan een karibou (in Europa bekend als rendier) en een beer. De bus ontdekt het grapje van het rots-dier en het dier-rots. Standaard procedure is dat iemand schreeuwt ‘Stop, ik zie een schaap in de verte’, ‘Is het wel een schaap?’, ‘Jaja, want het lijkt te bewegen’, ‘Oh nee’ zegt de man met de verrekijker dan ’het is geen schaap, het is een rots-schaap’. Waarna de gehele bus uitgebreid begint te lachen en de bus zelf weer toeren mag maken. Ach, het is in ieder geval wel gezellig, en dat is belangrijk als je elf uur moet bussen.

Om ongeveer 4 uur stoppen we bij het Eielson visitor center. Daar hebben we een half uurtje de tijd om wat te eten en te drinken (als je het zelf hebt meegenomen natuuurlijk) en om het uitzicht en de displays te bekijken. Wij verorberen ons brood onder het genot van het magniefieke uitzicht op de Denali. Om half vijf gaan we door en na ruim een uur vol nog meer en nog mooiere uitzichten op de Denali komen we bij het eindpunt, Wonder Lake. Dit meer valt eigenlijk een beetje tegen, we raken verwend. Slechts een geinig meer met een wel leuke ligging. Hier zijn ook wat hotel gevestigd die nog uit de tijd stammen van voordat Denali een nationaal park was en daarom niet weggestuurd mogen worden. We kijken wat rond, ontwijken een overdaad aan grote muggen (niet altijd succesvol) en na eenminuut of twintig mogen we weer de bus in voor vijf-en-een-half uur terugreis. De buurman van Dennis heeft zich ondertussen laten vervangen door een van de dikke dames en dus wordt het moeilijk voor ons te controleren of Dennis nog in de bus zit. Diep weggedrukt op het laatste hoekje bank zit hij ook nog van het uitzicht te genieten!

De terugreis is toch wel aardig vermoeiend. De oncomfortable banken eisen hun tol en regelmatig trapt de bestuurdster op de rem voor potentieel wild. Iedereen kijkt uit naar de drie stops onderweg en bij een van de stops krijgen de passagiers de gelegenheid om een stukje vooruit te lopen om de benen te strekken. Dennis en Jasper maken hier dankbaar gebruik van en steken een lange brug te voet over onder het genot van een heftige zijwind. Wel lekker verfrissend en een prima afwisseling. We zien ook dat Toklat, de gereserveerde bestemming van morgen erg plat is (een rivierbedding, vandaar) en dus niet echt mooi is. Daarnaast is het vanaf Toklat drie uur rijden naar het begin-/eindpunt. Mooi blijft het, maar dat is wel eens lastig te waarderen als het al de hele dag zo verrekte mooi is!

Om kwart over tien arriveren we weer bij het visitor center en dankbaar lopen we weer het stuk naar de overflow-parking op eigen benen. We besluiten om de tocht van morgen maar te laten schiten. Erg vroeg op en dan zes uur in een bobbelende bus om een stukje te kunnen lopen op een niet eens zo bijzondere rivierbedding, nee, je moet het niet overdrijven. We verzinnen wel wat andere leuke dingen voor morgen. Om iets voor elfen zijn we thuis en al snel is het licht uit en dromen we van collectief van ‘the big one’.

Gisteren - Home - Morgen